top of page

Parasjat Vajera

13 uur geleden
11 minuten om te lezen

Kan een samenleving moreel blijven zonder G’d?

De les van Sodom en de fundamenten van een morele beschaving

Door Rabbi Avriel Rabenou, MSc, MBA

Een mens kan eerlijk zijn zonder in G’d te geloven. Hij kan vrijgevig, meelevend en toegewijd aan anderen zijn. De geschiedenis staat vol mensen die echte morele moed toonden zonder die op geloof te gronden.

Parasjat Vajera stelt een moeilijkere vraag. Kan een samenleving haar morele fundamenten generaties lang behouden zodra de mens de hoogste autoriteit wordt over goed en kwaad? Wat gebeurt er wanneer moraal wordt bepaald door persoonlijke voorkeur, winst, politieke macht of de wisselende tijdgeest?

Het verhaal van de Torah over Sodom is een waarschuwing. Het beschrijft niet zomaar een stad waar individuen misdaden begingen, maar een stad waar egoïsme en wreedheid de aanvaarde norm waren geworden. En Sodom was niet arm of achtergebleven. Het was een welvarende samenleving die haar morele richting kwijt was geraakt.

Welvaart zonder verantwoordelijkheid

Bij Sodom denken we aan Genesis (Beresjiet) hoofdstuk 19, waar de inwoners het huis van Lot omsingelen en zijn gasten bedreigen.[1] De profeet Ezechiël (Jechezkel) wijst op iets diepers:

“Zie, dit was de zonde van uw zuster Sodom: hoogmoed, overvloed aan brood en zorgeloze welvaart hadden zij en haar dochters, maar de hand van de arme en de behoeftige sterkte zij niet.”[2]

Sodom had rijkdom, voedsel en veiligheid. Die welvaart maakte de stad niet vrijgevig, maar arrogant. Hoogmoed, overvloed en een gesloten hand voor de armen: de profeet beschrijft een samenleving met overvloed, maar zonder enig besef van verantwoordelijkheid.

De Misjna in Pirké Avot (Spreuken der Vaderen) maakt een verrassende opmerking:

“Wie zegt: ‘Wat van mij is, is van mij, en wat van jou is, is van jou’ – dat is een middelmatige eigenschap; en sommigen zeggen: dat is de eigenschap van Sodom.”[3]

Wat is er mis met respect voor eigendom? De Zeven Noachitische Geboden verbieden zelf diefstal. Het probleem is niet het bezit. Het probleem is dat men de eigen rechten gebruikt als excuus om elke verantwoordelijkheid tegenover anderen af te wijzen: “Ik heb het verdiend, ik heb niets van jou afgenomen – waarom zou jouw lijden mij aangaan?”

Als persoonlijke houding kan dat redelijk klinken. Als filosofie van een hele samenleving doet het het mededogen langzaam wegvloeien. Het lijden van een ander is dan geen zorg meer, maar een ongemak. Van daaruit kan wreedheid gerechtvaardigd gaan lijken.

Niets nieuws in Berditsjev

Een bekend chassidisch verhaal over Rabbi Levi Jitschak van Berditsjev (1740–1809) laat zien hoe dat gebeurt.[4]

Toen hij de functie van rabbijn van Berditsjev aanvaardde, stelde hij één voorwaarde. Hij wilde niet lastiggevallen worden met gewone gemeentevergaderingen, maar als de gemeenschap een nieuwe verordening wilde invoeren, wilde hij daaraan deelnemen.

Op een avond nodigden de bestuurders hem uit voor zo’n vergadering. Een rijk lid stond op met een voorstel. De armen die naar de stad kwamen, zouden nog steeds geholpen worden: de gemeenschap zou hun een vast bedrag uit haar kas geven. In ruil daarvoor zouden ze niet langer langs de deuren mogen gaan en de rust van de inwoners verstoren.

Het klonk ordelijk en efficiënt. Plotseling stond Rabbi Levi Jitschak op, nam zijn hoed en jas en maakte aanstalten om te vertrekken. De bestuurders herinnerden hem eraan dat de vergadering pas begonnen was. Hij antwoordde dat hij alleen had toegezegd aanwezig te zijn wanneer er iets nieuws werd ingevoerd.

“Maar dit ís nieuw!” protesteerden ze.

“Mensen verbieden liefdadigheid te geven aan rondtrekkende bedelaars?” antwoordde de rabbijn. “Daar is niets nieuws aan. Sodom heeft dat al duizenden jaren geleden ingevoerd.”

Hij overdreef niet. De Talmoed beschrijft de wreedheid van Sodom tegenover de armen en vertelt over een jonge vrouw die gestraft werd omdat zij in het geheim brood bracht naar iemand in nood. De Gemara verbindt dit verhaal met het geroep over Sodom in Genesis 18:20. Rasji, steunend op de Midrasj, verbindt het geroep in Genesis 18:21 met de jonge vrouw.[5]

De bestuurders begrepen het, en het voorstel werd ingetrokken.

Het verhaal is geen pleidooi tegen georganiseerde liefdadigheid; een gemeenschapsfonds kan een uitstekende manier zijn om mensen te helpen. Het ging om de houding achter het voorstel. De rijken waren het lijden van anderen vooral gaan zien als een ongemak voor zichzelf, en hadden een respectabele, administratieve manier gevonden om het op afstand te houden.

Het gevaar begint wanneer we zo bedreven worden in het rechtvaardigen van ons eigen comfort dat we het lijden achter onze beslissingen niet meer herkennen. Morele verloedering kondigt zich zelden aan als kwaad. Vaak dient ze zich aan als efficiëntie, gemak of economische noodzaak. De vraag is niet alleen of een maatregel redelijk klinkt, maar of de waarden die eronder liggen de waarden zijn die G’d van de mens verwacht.

Gerar: een samenleving met wetten, maar zonder vrees voor G’d

Later in de parasja reist Avraham naar Gerar, het koninkrijk van Avimelech, en stelt hij Sara opnieuw voor als zijn zuster. Gerar was geen Sodom. Het was een ordelijk koninkrijk, waarvan de koning hechtte aan zijn reputatie van rechtvaardigheid. Wanneer G’d Avimelech in een droom waarschuwt, protesteert hij: “Zult U ook een rechtvaardig volk doden?”[6]

Maar wanneer Avimelech hem ter verantwoording roept, legt Avraham uit:

“Omdat ik dacht: er is zeker geen vrees voor G’d op deze plaats, en ze zullen mij doden vanwege mijn vrouw.”[7]

Avraham verwijt Gerar geen gebrek aan intelligentie, cultuur of wetten. Hij benoemt iets fundamentelers: ein jirat Elokiem – er is geen vrees voor G’d.

Rasji, steunend op de Talmoed, legt uit wat Avraham opmerkte. Wanneer een vreemdeling in een stad aankomt, gaan de vanzelfsprekende vragen over wat hij nodig heeft: heeft hij gegeten, heeft hij iets te drinken? In Gerar vroeg men naar zijn vrouw.[8] Hun eerste gedachte was niet wat de vreemdeling nodig had, maar wat men hem kon afnemen.

De morele toestand van een samenleving blijkt uit de vragen die haar mensen instinctief stellen. Wanneer we een ander ontmoeten, vragen we dan wat hij nodig heeft – of wat wij eraan kunnen hebben?

Gerar toont aan dat uiterlijke fatsoenlijkheid niet noodzakelijk volstaat om moreel gedrag te waarborgen. Avraham vreesde dat zonder echte jirat Elokiem zelfs een ogenschijnlijk ordelijke samenleving fundamentele morele verplichtingen zou kunnen negeren wanneer sterke verlangens op het spel stonden. Het gevaar is niet beperkt tot wie G’d openlijk verwerpt. Het ontstaat telkens wanneer mensen geen morele autoriteit meer erkennen die groter is dan hun eigen wensen.

Wie G’d erkent, heeft een maatstaf die niet verschuift. Sommige dingen zijn goed of fout, of ze nu populair, winstgevend of door de machthebbers goedgekeurd zijn of niet. Wie de Schepper werkelijk erkent, weet dat hij niet de hoogste autoriteit over de moraal is. Hij moet verantwoording afleggen aan Iemand die groter is dan hijzelf.

De Rebbe: goedheid geworteld in nederigheid

De Lubavitcher Rebbe, Rabbi Menachem Mendel Schneerson, voegt nog een dimensie toe in een toespraak over deze parasja, gepubliceerd in Likoetee Sichot (deel 30, Vajera, toespraak 1).[9]

De Rebbe bespreekt drie eigenschappen die de Talmoed noemt als kenmerken van het Joodse volk: bescheidenheid, barmhartigheid en daden van goedheid.[10] Hij legt uit dat ze met elkaar verbonden zijn. Ware nederigheid maakt ruimte voor echte barmhartigheid, en barmhartigheid uit zich in concrete goedheid.

Maar goedheid kan ook voortkomen uit arrogantie. Iemand kan royaal geven om bewonderd te worden, of een minderbedeelde helpen omdat dat zijn eigen superioriteit bevestigt. De ontvanger heeft er baat bij, maar het karakter van de gever is daardoor niet noodzakelijk verfijnd.

Het fundament van Avrahams goedheid, legt de Rebbe uit, was bitoel – zelfwegcijfering tegenover G’d. Wanneer hij voor Sodom pleit, zegt Avraham over zichzelf: “Ik ben maar stof en as.”[11] Ondanks al zijn grootheid zag hij zichzelf niet als het middelpunt van het bestaan. Zijn leven, zijn rijkdom en zijn talenten waren hem door de Schepper toevertrouwd; daarom was zijn zorg voor anderen een daad van dienstbaarheid, geen vertoon van eigen belangrijkheid.

De toespraak van de Rebbe gaat over de eigenschappen van het Joodse volk, maar de les ervan spreekt tot ieder mens. Het tegendeel van bitoel is de overtuiging dat mijn verlangens, mijn rijkdom en mijn comfort op de eerste plaats komen. Dat is precies de hoogmoed die Ezechiël in Sodom beschrijft. De inwoners hadden overvloed, maar waren de nederigheid kwijt die het besef van de Schepper met zich meebrengt, en hun rijkdom werd een monument voor zichzelf in plaats van een middel om anderen te helpen.

Kan iemand goed zijn zonder G’d?

We kunnen nu terugkeren naar de vraag waarmee we begonnen.

Natuurlijk kan iemand die niet in G’d gelooft werkelijk goed doen; mensen hebben verstand, geweten en mededogen. En iemand kan zeggen in G’d te geloven en toch oneerlijk of wreed handelen. Religieuze identiteit garandeert niets.

Maar de Torah stelt een verdere vraag: wat geeft de moraal haar uiteindelijke gezag? Mensen kunnen door verstand en geweten goed van kwaad onderscheiden, en kunnen daar integer naar handelen. Maar als een samenleving menselijke overeenstemming beschouwt als de uiteindelijke bron van morele verplichting, wat weerhoudt haar er dan van die overeenstemming te wijzigen – wanneer een meerderheid besluit dat een minderheid er niet meer toe doet, wanneer mededogen te duur wordt, of wanneer wreedheid kan worden verpakt in verfijnde argumenten en juridische procedures?

Dit betekent niet dat een seculiere samenleving een nieuw Sodom moet worden, of dat religieuze samenlevingen nooit hun eigen beginselen verraden. Het betekent dat een samenleving die haar eigen belangen tot de uiteindelijke maatstaf van goed en kwaad maakt, een wezenlijke bescherming tegen morele zelfmisleiding heeft verloren. De Torah legt het fundament van de moraal buiten de menselijke voorkeur: in de wil van de Schepper.

De Zeven Noachitische Geboden: een fundament dat niet kan worden herdefinieerd

Daarom zijn de Zeven Noachitische Geboden niet zomaar zeven nuttige maatschappelijke afspraken. Het zijn G’ddelijke verplichtingen die aan de hele mensheid zijn gegeven: de verboden op afgoderij, G’dslastering, moord, diefstal, verboden seksuele relaties en het eten van vlees van een levend dier, en de verplichting om rechtbanken in te stellen.[12]


Maimonides (de Rambam) stelt het scherp. Wie de zeven geboden aanvaardt en zorgvuldig naleeft, wordt gerekend tot de Chassidee Oemot Ha’olam, de vromen onder de volkeren, en heeft deel aan de Komende Wereld. Dat geldt wanneer hij ze naleeft omdat G’d ze in de Torah heeft geboden en via Mozes heeft bekendgemaakt dat de nakomelingen van Noach ze al eerder opgedragen hadden gekregen. Wie ze alleen naleeft omdat zijn eigen verstand ze zinvol vindt, is volgens de gangbare gedrukte tekst “niet een van de vromen onder de volkeren, noch een van hun wijzen”; volgens de Jemenitische handschriften “maar wel een van hun wijzen”.[13] Bij beide lezingen blijft het punt van de Rambam overeind: rationele ethiek heeft waarde, maar de volle betekenis van de Noachidische naleving ligt in het aanvaarden van het gezag van Hem Die het gebood.


Neem het verbod op moord. Het verstand kan inzien dat moord levens, gezinnen en de maatschappelijke orde verwoest. Maar de Torah grondt de waarde van het menselijk leven in iets wat losstaat van nut: ieder mens is geschapen naar het beeld van G’d.[14] De heiligheid van een leven kan daarom niet worden ingetrokken omdat iemand impopulair, onproductief, zwak of ongewenst is. Hetzelfde geldt voor rechtvaardigheid, eigendom, gezin en de andere fundamenten van de beschaving. Moraal is niet iets wat de mensheid opnieuw mag uitvinden telkens als de omstandigheden veranderen. Het is een toevertrouwd goed van de Schepper.


En hoe zit het dan met liefdadigheid – precies de tekortkoming die de profeet Sodom aanrekent? Liefdadigheid wordt niet afzonderlijk opgesomd onder de Zeven Noachitische Geboden. Toch toont de straf van Sodom aan dat het ontbreken van een afzonderlijk vermeld gebod wreedheid of onverschilligheid niet aanvaardbaar maakt. De Rambam erkent uitdrukkelijk het geven van liefdadigheid door een Ben Noach in Hilchot Melachiem 10:10.[15] De precieze halachische reikwijdte van de verplichting tot liefdadigheid voor Bné Noach vraagt een afzonderlijke bespreking, maar de bredere morele verwachting is onmiskenbaar. Liefdadigheid geven is een praktische manier om het voorbeeld van Avraham te volgen in plaats van dat van Sodom.


Twee visies op beschaving

Parasjat Vajera zet twee levenswijzen naast elkaar. Aan de ene kant staat Sodom: welvarend, hoogmoedig, in zichzelf gekeerd en onverschillig voor lijden. Aan de andere kant staat Avraham: een man die G’d erkende, vreemdelingen in zijn tent verwelkomde en zelfs voor de inwoners van Sodom pleitte.


De Tora verwoordt Avrahams opdracht uitdrukkelijk:

“Want Ik heb hem gekend, omdat hij zijn kinderen en zijn huisgezin na hem opdraagt de weg van de Eeuwige te bewaren, door gerechtigheid en recht te doen.”[16]

Tsedaka oemisjpat – gerechtigheid en recht – staan niet los van de erkenning van G’d. Ze zijn er de praktische uitdrukking van. Avrahams geloof trok hem niet weg van de samenleving en gaf hem geen gevoel van superioriteit. Zijn nederigheid tegenover G’d maakte hem juist meer bezorgd om anderen. Dat is het tegendeel van Sodom, en het is de beschaving die de Zeven Noachitische Geboden willen opbouwen.

De les voor onze tijd

Samenlevingen laten hun beginselen zelden in één keer los. Verloedering begint met kleine compromissen en handige uitzonderingen. Wat ooit onaanvaardbaar leek, wordt gedoogd, dan gerechtvaardigd en ten slotte gevierd. Een samenleving kan haar rijkdom, onderwijs, instellingen en technologie behouden en toch haar moreel kompas verliezen.

De les van Sodom is niet dat welvaart gevaarlijk is of dat het verstand moet worden verworpen. De les is dat welvaart nederigheid vereist, dat verstand morele verantwoordelijkheid vereist, en dat een samenleving beginselen nodig heeft die niet kunnen worden omgebogen naar de wensen van de machtigen. Ware jirat Elokiem geeft ons een maatstaf waaraan ons gedrag – en zelfs de aanvaarde waarden van onze samenleving – moet worden gemeten. Die maatstaf bindt de religieuze mens evenzeer als ieder ander: wie beweert G’d te dienen en tegelijk onrechtvaardig handelt, vervult de visie van de Torah niet.


Voor Bné Noach staat dit centraal in hun opdracht: niet alleen onrecht vermijden, maar meebouwen aan een beschaving waarin leven, eerlijkheid, rechtvaardigheid, gezin, mededogen en verantwoordelijkheid rusten op de erkenning van de Schepper.

Deze les begint bij onze eigen beslissingen. Wanneer we zakendoen, vragen we ons dan alleen af wat winstgevend is, of ook wat eerlijk is? Wanneer iemand hulp nodig heeft, vragen we ons dan alleen af of we wettelijk verplicht zijn te helpen, of ook of G’d mededogen van ons verwacht? Wanneer de samenleving een bepaalde praktijk aanvaardt, gaan we er dan van uit dat die aanvaarding haar juist maakt, of toetsen we haar aan de morele beginselen die de Schepper heeft vastgelegd? De Zeven Noachitische Geboden leren ons dat G’ddelijke moraal ons gedrag moet sturen, en niet slechts moet bevestigen wat we toch al wilden doen.

Sodom leert dat een samenleving rijk kan zijn zonder rechtschapen te zijn, verfijnd zonder wijs te zijn, en juridisch geordend zonder rechtvaardig te zijn. Avraham leert dat waar geloof zich toont in nederigheid, rechtschapenheid en actieve zorg voor anderen.

De beslissende vraag is dus niet alleen of mensen zich moreel kunnen gedragen zonder in G’d te geloven. De vraag is of wij bereid zijn te aanvaarden dat onze eigen verlangens, belangen en meningen niet de uiteindelijke maatstaf zijn van wat juist is.

De inwoners van Sodom plaatsten zichzelf in het middelpunt van hun morele universum. Avraham plaatste G’d in het middelpunt – en maakte zo ruimte voor andere mensen.

Dat is het fundament van een werkelijk morele beschaving, en de universele boodschap van Parasjat Vajera.

Bronnen en verwijzingen

  1. Genesis (Beresjiet) 19:1–11. De inwoners van Sodom omsingelen het huis van Lot en bedreigen zijn gasten. Sefaria

  2. Ezechiël (Jechezkel) 16:49–50. Hoogmoed, overvloed, zelfgenoegzame rust en de weigering de armen te steunen als de zonde van Sodom. Sefaria

  3. Pirké Avot 5:10 (5:13 in sommige edities), met Bartenoera aldaar. Het gevaar dat “wat van mij is, is van mij en wat van jou is, is van jou” verwordt tot midat Sodom, vooral wanneer men weigert een ander te laten profiteren, zelfs zonder eigen verlies. Sefaria

  4. “Nothing New” (“Niets nieuws”), door Libby Kiszner, Chabad.org. Rabbi Levi Jitschak van Berditsjev en de voorgestelde verordening tegen het huis-aan-huis vragen om liefdadigheid. Chabad.org

  5. Sanhedrin 109b; Rasji op Genesis (Beresjiet) 18:21. Chazal beschrijven een jonge vrouw die gestraft werd omdat zij in het geheim voedsel naar de armen bracht; de Gemara verbindt het voorval met het geroep in Genesis 18:20, terwijl Rasji op 18:21 het geroep van het meisje aanwijst. Sanhedrin 109b · Rasji

  6. Genesis 20:4. Avimelech: “Zult U ook een rechtvaardig volk doden?” Sefaria

  7. Genesis 20:11. “Er is zeker geen vrees voor G’d op deze plaats.” Sefaria

  8. Rasji op Genesis 20:11, op basis van Bava Kamma 92a. Aan een vreemdeling vraagt men naar eten en drinken, niet naar zijn vrouw. Rasji

  9. Likoetee Sichot, deel 30, Vajera, sicha 1, “Signs of a Nation” (“Kenmerken van een volk”), vooral paragrafen 3–6. Bescheidenheid, barmhartigheid, goedheid en bitoel; echte goedheid onderscheiden van vrijgevigheid die voortkomt uit hoogmoed.

  10. Jevamot 79a; Rambam, Hilchot Issoeree Bia 19:17. De drie onderscheidende eigenschappen van het Joodse volk.

  11. Genesis 18:27. “Ik ben maar stof en as”; besproken in Likoetee Sichot, deel 30, Vajera, sicha 1, paragraaf 5. Sefaria

  12. Sanhedrin 56a–b; Rambam, Hilchot Melachiem 9:1 en 9:14. De Zeven Noachidische Geboden en de verplichting tot rechtspraak.

  13. Rambam, Hilchot Melachiem oeMilchamot 8:11. Het naleven van de geboden als G’ddelijk gebod versus louter op grond van het verstand, inclusief de tekstvariant “noch van hun wijzen” / “maar van hun wijzen”. Chabad.org

  14. Genesis 1:27; 9:6. De mens geschapen naar het beeld van G’d, en het verbod om menselijk bloed te vergieten. Sefaria

  15. Rambam, Hilchot Melachiem 10:10. Bespreking van verdere mitswot die een Ben Noach op zich neemt, en uitdrukkelijke erkenning van liefdadigheid gegeven door een Ben Noach.

  16. Genesis 18:19. Avrahams opdracht om “gerechtigheid en recht” te onderwijzen. Sefaria

Opmerkingen


© Dutch Noahide Community 2025 , All rights reserved.
bottom of page