De beloning van de vroedvrouwen.
- 6 jan
- 6 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 12 jan
Parasha SJEMOT
Sjemot (Exodus) 1:18 - 2:10
Samenvatting en duiding
De Hebreeuwse vroedvrouwen Sjifra en Pua trotseren Far’o. Far’o roept ze ter verantwoording omdat zij de jongetjes niet doden. Zij antwoorden dat de Hebreeuwse vrouwen sterk zijn en al bevallen vóórdat de vroedvrouwen er aankomen. G’d beloont de vroedvrouwen omdat zij G’d vreesden. Zij krijgen elk een gezin, “huizen” ( van priesterlijke en koninklijke afstamming volgens Rashi. Het punt hier is dat morele moed en vreze G’ds sterker zijn dan enige angst voor een tiran. Omdat zijn plan faalt, vaardigt Far’o een nieuw decreet uit: “Elke Hebreeuwse jongen moet in de Nijl worden geworpen.” Dit bevel geldt nu voor het hele Egyptische volk, niet alleen voor de vroedvrouwen. De meisjes mogen evenwel blijven leven. Het kwaad escaleert wanneer het niet wordt tegengehouden.
Een man en vrouw uit het huis van Levi (Amram en Jocheved) krijgen een zoon. Jocheved ziet dat hij “tov” (goed) is. Ze verbergt hem drie maanden lang. Volgens de Midrasj werd het huis gevuld met licht wat een teken is van een bijzondere bestemming voor dit kind. Wanneer ze hem niet langer kan verbergen maakt Jocheved een mand van riet; ze bestrijkt die met pek en teer. Ze legt het kind tussen het riet langs de oever van de Nijl. Zijn zus Mirjam blijft op een afstand om te kijken wat er gebeurt. Jocheved handelt met geloof maar blijft ook hier voorzichtig in wat ze doet. Ze geeft haar kind niet op, maar vertrouwt het toe aan G’d. De dochter van Far’o komt baden in de Nijl. Ze ziet de mand, hoort het kind huilen en krijgt medelijden. Ze ziet dat het een Hebreeuws kind is, maar toch redt ze hem. Mirjam stelt haar voor om een Hebreeuwse voedster te halen. Dat blijkt dan zijn eigen moeder te zijn. Jocheved voedt haar eigen zoon op en ze krijgt er zelfs loon voor. Het kind wordt naar het paleis gebracht. Hij krijgt de naam Moshe (Mozes):“Want uit het water heb ik hem getrokken.” Het is ironisch dat Far’o’s eigen dochter de toekomstige verlosser van Israël opvoedt.
Centrale thema’s van deze alija
De vrouwen als redders van Israël (vroedvrouwen, Jocheved, Mirjam, Batja)
G’ddelijke voorzienigheid werkt via menselijke keuzes
Moed, mededogen en geloof brengen de verlossing op gang
Het begin van Mosje’s leven weerspiegelt al zijn latere rol van leider
De goddelijke voorzienigheid werkt via menselijke keuzes
notities
1,0 Er moeten meer vroedvrouwen geweest zijn dan alleen Sjifra en Pua. Wat wil de Torah ons duidelijk maken wanneer ze precies deze twee vroedvrouwen vermeldt?
1,1. Sjifra en Pua zijn inderdaad niet de enigen, maar zij vertegenwoordigen al die andere vroedvrouwen
De Ramban en Sforno geven aan dat er vele vroedvrouwen waren. Sjifra en Pua waren de leiders; zij waren de hoofdvroedvrouwen. Door hen te benoemen spreekt de Torah niet over hun aantal, maar maakt ze duidelijk welke vroedvroewen de richting aangaven. De morele leiding van enkelen kan het gedrag van velen bepalen. Wanneer leiders weigeren mee te werken aan kwaad, wordt het systeem ondermijnd, zelfs als het bevel daartoe van boven afkomstig is.
1,2. Rashi merkt op dat de namen van deze vroedvrouwen hun missie vertolkt
Rashi merkt op dat de naam Sjifra komt van lesjaper (verzorgen, verfraaien): zij zorgde ervoor dat de baby in leven bleef en gezond werd. De naam Pua is afkomstig van poa (roepen, sussen): Pua sprak en kalmeerde het kind. De Torah legt niet de nadruk op het aantal vroedvrouwen, maar op hun houding tegenover nieuw leven. In een maatschappij met een doodscultuur (Egypte) staan deze vroedvrouwen voor een cultuur van zorg en tederheid.
1,3. De Torah richt onze aandacht op kwaliteit. Niet op statistiek
Het gaat hier om een belangrijk principe in de Torah. De Torah is geen geschiedenisboek. De Torah wil ons ethiek leren. Dat het volk “zeer sterk vermeerderde” (1:20) ondanks het decreet, leert ons dat de verlossing niet begint bij de massa’s, maar bij het maken van morele keuzes. Hasjem laat zegen komen via mensen die het leven beschermen. De Torah noemt Sjifra en Pua omdat zij de morele oorzaak zijn, niet de demografische.
1,4. Volgens de misdrasj deden de vroedvrouwen veel meer dan alleen ‘niet-doden’
De Midrasj (Sjemot Rabbah 1:13) zegt dat deze vroedvrouwen de baby’s verzorgden, voedden en verborgen; zij bemoedigden de vrouwen om niet bang te zijn voor een zwangerschap. Ze stimuleerden het leven op een actieve en betrokken wijze. Dit verklaart dan ook dat het niet alleen maar de kinderen waren die bij hen overleefden, maar dat het volk juist extra aangroeide. De boodschap is dat het onvoldoende is om niet toe te geven aan onderdrukking; het leven vraagt om meder; het leven vraagt om een actieve betrokkenheid.
1,5. Waarom juist vrouwen?
De Torah had ook mannen kunnen noemen, of anonieme personen. Maar zij kiest bewust voor de vroedvrouwen. Rav Jonathan Sacks z”l wijst op dit patroon: de vrouwen handelen vanuit mededogen, niet vanuit macht. Zij brengen redding zonder revolutie, zonder geweld. En zo begint de ge’oela (verlossing). Niet met wonderen, maar met menselijke compassie. De Torah zegt niet dat ze Far’o trotseerden, maar : “Zij vreesden G’d” . Hun handelen was niet reactief (anti-Far’o) Maar proactief. Ze waren gericht op een hogere morele waarheid. Sjifra en Pua staan symbool voor mensen die handelen vanuit innerlijke waarheid, niet vanuit oppositie.
1,6. Besluit
Door twee namen te noemen i.p.v. een lijst of een getal, leert de Torah ons dat verlossing begint bij morele leiders, niet bij de massa’s. Het beschermen van leven vraagt om actieve zorg, passieve gehoorzaamheid is niet voldoende. Goddelijke groei komt door mededogen en verantwoordelijkheid. Ware moed komt voort uit G’dsvrees, niet uit rebellie. En één juiste keuze kan een hele geschiedenis doen kantelen
2,0 hoe cultiveer je moed, mededogen en geloof in kritieke of moeilijke situaties ?
Dat is een existentiële vraag. Geen theoretische. En precies daarom staat zij centraal in de Torah. De Torah vertelt ons niet alleen dat Sjifra en Pua moedig waren, maar hoe zulke mensen gevormd worden.
2,1. - Hoe cultiveer je moed, mededogen en geloof? (vóór de crisis)
2,1,1. Door kleine daden van trouw. Niet door heldendaden
De Rambam (Hilchot De’ot) leert dat karakter gevormd wordt door herhaling, niet door één heroïsch moment. Sjifra en Pua werden niet plots moedig. Zij oefenden dagelijks in hun zorg voor het leven.
Praktisch:
Handel consequent eerlijk, ook wanneer het “niet nodig” lijkt;
Wees mild waar streng zijn gemakkelijker is;
Kies voor waarheid in kleine situaties.
Wie trouw is in het kleine, is voorbereid op het grote.
2,1,2. Door G’dsvrees te verankeren. Niet door de angst te onderdrukken
De Torah zegt niet dat zij geen angst hadden, maar dat “Zij vreesden G’d” (Sjemot 1:17). De Tanya (hoofdstuk 41) stelt dit scherp: angst voor mensen verlamt maar G’dsvrees beheerst de angst. Geloof betekent niet dat je niet bang bent. Geloof brengt wel een hiërarchie van loyaliteit. Stel jezelf regelmatig de vraag: “Voor wie leef ik werkelijk, wanneer er niemand kijkt?”
2,1,3. Door mededogen te trainen
Mededogen begint niet bij emotie, maar bij zien. Batja zag het kind en hoorde het huilen. Velen zagen dat ook, maar Batya bleef kijken. De chassidische les hier is: Wie het gewend is weg te kijken, kan niet moedig handelen.
Praktisch:
Blijf wanneer het ongemakkelijk is, ga niet meteen corrigeren
Luister zonder oplossingen aan te reiken
Erken de kwetsbaarheid — bij jezelf en bij de anderen
2,2. Hoe handel je in het kritieke moment zelf?
2,2,1. Door te doen wat er binnen je bereik ligt, niet door dat te doen wat alles oplost.
Geen van de vrouwen in Sjemot lost het probleem “Egypte” op. Sjifra en Pua doden niet. Jocheved verbergt één kind. Mirjam wacht. Batja reikt haar hand uit. Verlossing is een cumulatief proces. Geen individuele prestatie. De spirituele waarheid hier is dat Hasjem niet om succes vraagt, maar om trouw te zijn in wat we doen. Dat is moed: doen wat juist is, zonder dat we de garantie hebben.
2,2,2. Door te handelen vóór je volledige zekerheid hebt
Geloof in de Torah is nooit: “ik weet dat het goed afloopt”. De mand van Mosje was geen plan, maar een daad van vertrouwen. Rav Nachman van Breslov zei: “Je moet over een zeer smalle brug gaan — en vooral niet bang zijn.” Niet: er is geen gevaar. Maar: ik ga, ondanks het gevaar.
2,3. Hoe “breng” je dit over op anderen?
2,3,1. Door je voorbeeld, niet door te preken.
De Torah laat Sjifra en Pua handelen, niet uitleggen. Morele kracht is besmettelijk, maar alleen als zij belichaamd wordt. Mensen leren moedig te zijn door iemand te zien die niet schreeuwt, niet rationaliseert maar rustig het goede doet
2,3,2. Door taalgebruik die leven geeft. Niet door taalgebruik die veroordelend is.
Let op hoe Mirjam spreekt: “Zal ik een voedster halen?” . We horen geen aanklacht, geen confrontatie. Mededogen brengt verandering via uitnodiging, niet met beschuldiging.
2,3,3. Door het verhaal levend te houden
Waarom noemt de Torah de namen van de vroedvrouwen ? Omdat verhalen waarden overdragen over de generaties heen. Wil je moed doorgeven: ga dan verhalen vertellen van integriteit. Benoem morele keuzes, niet alleen het succes. Geef taal aan trouw in moeilijke tijden
2,4. Besluit
Moed groeit door herhaalde trouw vóór de crisis
Mededogen groeit door werkelijk zien en blijven
Geloof groeit door handelen zonder garantie
Overdracht gebeurt door voorbeeld en verhaal, niet door dwang




Opmerkingen